Sinds mijn eerste blog en vandaag zijn er bijna twee maanden verstreken. Gedurende die tijd had ik het genoegen jullie te vertellen over evolutie en mijn onderzoek. Ik hoop dat ik jullie heb kunnen boeien. Bedankt in ieder geval voor jullie interesse.
Donderdag kreeg ik EOS in de brievenbus met een Start to Know over genetica. In de context van evolutie voelde ik mij thuis, echter in een omgeving die gewijzigd is van evolutie naar genetica beschik ik niet langer over gunstige kenmerken. Ik verdwijn dan ook van het toneel - ik word weg geselecteerd.
Maar geen getreur, Karolien Beel van de Leuvense universiteit heeft wel gunstige kenmerken om goed te functioneren in een genetica context. Zij neemt de fakkel over en ik ben al vast benieuwd naar haar blogs.
Net als andere zoogdieren zoogt de mens zijn jongen. Mensenbaby's maken gebruik van lactase om lactose af te breken tot minder complexe, verteerbare suikers zoals glucose en galactose. De mens onderscheidt zich van andere zoogdieren doordat hij ook na de kindertijd melk blijft drinken; melk van koeien, schapen, geiten of kamelen. Volwassen zoogdieren kunnen echter geen lactose verteren doordat ze lactase ontbreken. Past de mens een trukje toe? Hoe verteren volwassen melk? Laten we een stapje terug zetten in de tijd.
Het houden van melkvee door de mens onstond in de afgelopen tienduizend jaar. Wat blijkt, bij mensenpopulaties die vele generaties lang melkvee hebben gehouden, blijft lactase ook actief op volwassen leeftijd. Dus hoewel tienduizend jaar slechts overeenkomt met een vierhondertal mensengeneraties, leidde dit op deze korte tijd reeds tot het meer algemeen voorkomen van het vermogen bij volwassen om melk te verteren.
Evolutie aan het werk! Onze leefomgeving wijzigde zich na het jager-verzamelaar stadium en dit leidde tot een wijziging onder invloed van natuurlijke selectie.
Gelijkaardig kunnen we verklaren hoe blanken aan hun lichte huidskleur komen. Een lichte huid was aanvankelijk zeldzaam. Echter, toen de vroege mensen wegtrokken naar nieuwe leefgebieden (dus een andere omgeving), naar gebieden met een lagere temperatuur en op een hogere breedtegraad, waar zonlicht schaars is, bleek een lichte huid geschikter voor het aanmaken van het voor ons lichaam essentiële vitamine D.
Ongeveer 1/5 van alle insectensoorten is drager van de bacterie Wolbachia (zie foto: de pijlen wijzen de parasiet aan). Met ongeveer 1.7 miljoen soorten beschreven, waarvan 800.000 insecten, is Wolbachia waarschijnlijk de meest verspreide parasiet op onze planeet.
Wolbachia wordt van generatie op generatie doorgegeven langs de moederlijn. Vanuit het standpunt van de parasiet zijn dus enkel vrouwtjes van de gastheer nuttig en mannetjes eerder nutteloze 'voertuigen'. Mannetjes geven Wolbachia niet door aan hun nakomelingen, dus een bacterie in een mannetje heeft geen toekomst. De oplossing vanuit het standpunt van Wolbachia is om er voor te zorgen dat een geïnfecteerde gastheer enkel dochters voortbrengt. Zonder mannetjes kan de gastheer zich echter niet voortplanten wat uiteindelijk opnieuw de kansen op een toekomst van Wolbachia zou ondermijnen. Ook hier is een uitweg, in sommige gastheersoorten stellen we vast dat er geen seksuele voortplanting meer is. Wolbachia heeft het voortplantingsysteem volledig naar zijn hand gezetmet een parthenogenetische gastheersoort tot gevolg. M.a.w. de gastheer plant zich ongeslachtelijk voort waarbij vrouwtjes nakomelingen krijgen zonder tussenkomst van mannetjes. Hierbij zijn de nakomelingen steeds vrouwtjes en heeft de parasiet dus een maximaal aantal dragers om doorgegeven te worden van generatie op generatie.
In mijn onderzoek op Fiji bestudeer ik zelf het voorkomen van Wolbachia bij verschillende soorten libellen. Dit omdat bij sommige van de libellen op Fiji haast enkel vrouwtjes worden gevonden. Mannetjes blijken een rariteit te zijn. De vraag rijst dan ook of hier sprake is van infectie door Wolbachia en mogelijke aanpassing van de voorplanting van de gastheer door de parasiet. Dat op Fiji zowel libellensoorten voorkomen waarbij mannetjes zeldzaam zijn als soorten waarbij we eerder gelijke aantallen mannetjes en vrouwtjes waarnemen maakt het mogelijk om het fenomeen te bestuderen vanuit een evolutionair standpunt. Inderdaad, door de onderlinge verwantschappen in kaart te brengen van gastheer (de libellen) en van de parasiet (Wolbachia) wordt het mogelijk om de evolutionaire historie van gastheer en parasiet met elkaar te vergelijken.
Hoe Wolbachia zijn gastheer beïnvloedt kan sterk verschillen en heeft niet steeds het naar de hand zetten van het voortplantingssysteem tot gevolg. Inderdaad, de bacterie kan de gastheer op een meer subtiele wijze beïnvloeden, wat ze mogelijk interessant maakt in de langlopende strijd tegen ziekten (bvb. malaria, dengue) die door muggen worden overgedragen aan de mens. De idee is om muggen te infecteren met een zeer specifieke stam van Wolbachia die de levensduur van zijn gastheer in kort. Indien de levensduur van de gastheer lang genoeg blijft voor de voorplanting van de mug maar korter wordt dan de tijd die het virus (bvb. Plasmodium in het geval van malaria) nodig heeft om zich voort te planten in de mug en zich voor te bereiden om zich te verspreiden naar een volgende gastheer (bvb. de mens) dan kan er mogelijk aan ziektebestrijding worden gedacht. Experimenten in het labo brachten een verrassend neveneffect aan het licht. Met Wolbachia geïnfecteerde muggen probeerden menselijke vrijwilligers vaker te steken, echter zonder resultaat, de muggen konden niet langer door de huid van de mens prikken. Dit omdat hun zuigorgaan buigzaam was geworden na infectie. De onderzoekers hadden tot doel om de levensduur van de mug in te korten, maar een mug die niet kan steken kan ook geen virus overdragen.
Er wordt wel eens gesuggereerd dat sommige ontwerpen in de natuur zo ingewikkeld zijn dat ze niet verklaard kunnen worden door evolutie...
Hoe verklaar je bijvoorbeeld het ontstaan van het menselijke oog uit zeer eenvoudige lichtigevoelige cellen? Of een vleugel? Hoe nuttig is een halve of een kwart vleugel? Zeer nuttig, zo blijkt, indien we een kijkje nemen in het verleden, in de evolutionaire geschiedenis van wat uiteindelijk een vleugel geworden is.
We starten met een uitgroei, zo je wil, een stomp, aan het lichaam. Eén theorie bij insecten stelt dat dergelijke stomp toeliet om meer gebalanceerd te glijden. Mogelijk hadden zulke stompen wanneer ze zelfs nog te klein waren om nuttig te zijn voor balans tijdens het glijden voorafgaand een temperatuursregulerende rol. Echter, de vraag dient gesteld hoe stompen die simpelweg een uitgroei waren van het borststuk vervolgens gearticuleerd en van spieren voorzien werden.
Het is uiteraard
meer voor de hand liggend dat initieel gespierde en gearticuleerde structuren,
mogelijk met in het begin een andere functie, het uiteindelijk maakten tot
vleugels. Dit brengt ons bij de tweede en meer waarschijnlijk theorie, welke
stelt dat voorlopers van de vleugel ontwikkelden uit het samensmelten van
primitieve aanhangsels die gespierd en gearticuleerd waren. Deze primitieve
aanhangsels hadden mogelijk hun nut voor de ademhaling of bij het zwemmen.
Bij
larven van de steenvlieg (een primitief insect) merken we dat deze hun kieuwen
niet enkel voor de ademhaling gebruiken maar ook bij de voortbeweging. Maar hoe
leidt dit ons dan van voortbewegen door het water naar vliegen in de lucht?
Wel, sommige van die steenvliegen maken na de metamorfose van aquatische larve
naar terrestrisch dier gebruik van diezelfde aanhangsels om zich ietwat
onhandig over het wateroppervlak te bewegen door die aanhangsels als een soort
zeil te gebruiken. Uiteindelijk kunnen sterkere spieren toelaten om meer te
doen dan enkel zeilen met eerst flappen en uiteindelijk vliegen tot
gevolg.
Het
is dus niet evident om exact te weten hoe graduele wijzigingen gebeurd zijn,
maar stompen hoeven niet nadelig te zijn.
Knippen en plakken en een muziekje erop. Het is me gelukt een kleine montage te maken van filmmateriaal van het veldwerk in Kenia.
Jullie krijgen achtereenvolgens te zien:
Een kabbelend beekje waar de studiesoort leeft
Het kleurrijke vrouwtje links in beeld en het mannetje langs rechts
Mij in actie tijdens het vangen van waterjuffers met een netje
Een kooitje waar we waterjuffers soms tijdelijk in bewaren, bvb. tot we de tijd hebben gehad om ze te meten, te fotograferen en een nummer op de vleugel te schrijven
Het manipuleren van een waterjuffer inclusief het schrijven van een nummer op de vleugel
Het noteren van gegevens
Fotograferen van de dieren onder standaardomstandigheden en in hun leefgebied
Het observeren van het gedrag van de waterjuffers
Verzamelen van libellen en deze catalogeren in een enveloppe als referentiemateriaal voor het museum in Nairobi
Nadat Charles Darwin in 1871 suggereerde dat mensen en apen dezelfde voorouders hadden werd hij door zijn tegenstanders belachelijk gemaakt. Dit leidde onder andere tot de volgende spotprent:
Darwin kwam tot deze bewering door observatie, nadenken en zich niet te laten beïnvloeden door de heersende gedachten in zijn tijd. Vandaag weten we dat Darwin gelijk had. Mens, gibbon, orang-oetan, gorilla, chimpansee en bonobo vormen samen de mensapen welke waarschijnlijk 1 gezamenlijke voorouder hebben. Dus een 'oer' aapachtige die aanleiding heeft gegeven aan de verschillende soorten hedendaagse mensapen.
Een aantal jaar geleden slaagden wetenschappers erin om het volledige genoom van de mens in kaart te brengen. Ondertussen is ook het genoom van bvb. de chimpansee bekend. Wat blijkt? Het erfelijke materiaal van mens en chimpansee komen voor 97.3% met elkaar overeen! Misschien zijn mens en chimpansee dan toch niet zo verschillend?
Ali G (beter bekend onder de naam Borat) in discussie met wetenschappers en creationist Kent Hovind. Zijn we allen Homo? Eten mensen ook bananen? Veel kijk- en luisterplezier:
Jullie hebben al gemerkt dat libellen als studieorganismn centraal staan in mijn onderzoek. Tijd voor een toelichting bij deze fascinerende dieren.
Heel wat mensen denken dat libellen kunnen bijten of steken en beter gemeden worden. Om de slechte reputatie van libellen te begrijpen moeten we een tijdje terug in de tijd. Inderdaad, de negatieve naam van libellen vindt zijn oorsprong ten tijde van het opkomende christendom. Voor onze tijdrekening werden libellen geassocieerd met Freya, Godin van de liefde in de Duitse en Scandinavische cultuur. Deze associatie was geïnspireerd op de waarneming dat libellen tijdens de paring een hartvormige figuur vormen:
Met het onstaan van het christendom moesten de oude Goden vergeten worden samen met hun symbolen.Freya's dag (vooral vrijdag de dertiende) de dag-van-liefde werd een dag-van-ongeluk. En de symbolen van Freya? Libellen werden nu in verband gebracht met draken (Dragonflies in Groot-Brittanië) en trollen (Trollsländor in Zweden). Het in het Spaans veel gebruikte caballito del diablo (paardje van de duivel) heeft ook een duidelijk negatieve klank. In de Nederlandse taal kregen libellen volkse namen die verwijzen naar buiten en steken (bvb. glassnijder, paardenbijter). En... inderdaad, vandaag blijken nog steeds heel wat Vlamingen en Nederlanders te geloven dat libellen gevaarlijke dieren zijn. Een sprookje van meer dan twee eeuwen oud.
De allereerste insecten verschenen ongeveer 350 miljoen jaar geleden op het Aardse toneel. De diertjes waren vleugelloos en het werd wachten tot het Carboon vooraleer het luchtruim werd veroverd. Het land was toen bedekt met dichte wouden van gigantische paardenstaarten en boomvormende varens. In dit warme en vochtige kimaat fladderde een reusachtige libel: de Meganeura - met een vleugelspanwijdte van ongeveer 70cm. De reuzen van weleer zijn ondertussen lang uitgestorven en bij het begin van het Secundair, een goede 200 miljoen jaar geleden, vindt men de rechtstreekse voorouders van de huidige levende libellen. Doordat libellen zo lang bestaan, hebben ze veel tijd gehad om zich aan te passen aan allerhande soorten van milieus en omstandigheden. We treffen ze als groep dan ook bijna over gans de wereld aan. Enkel de extreem koude gebieden, zoals de poolkappen, werden niet veroverd.
Libellen hebben zowel een waterfase als larve als een landfase als gevleugelde adult. Larven en adulten zien er helemaal anders uit en het duurde dan ook lang vooraleer men besefte dat het in beide gevallen om libellen ging. De larven zijn door de meesten onder ons veel minder gekend omdat ze gans hun leven doorbrengen onder de waterspiegel, waar zij meestal felle jagers zijn. Zij voeden zich met larven van andere insecten en zelfs met soortgenoten. Voor het grijpen van de prooi zijn libellenlarven zeer speciaal en doeltreffend uitgerust. Zij bezitten een zogenaamd vangmasker, uniek in de dierenwereld. De onderlip is hierbij uitgegroeid tot een afgeplat, opvouwbaar vangapparaat. Wanneer de larve een prooi dicht genoeg is genaderd, schiet het vangmasker bliksemsnel vooruit en met de twee beweegbare haken vooraan op het vangmasker, wordt de prooi stevig vastgegrepen. Dan komt het vangapparaat terug in rusttoestand waardoor de prooi juist voor de mond terecht komt, waar stevig getande kaken zorgen voor het kauwen van voedsel.
Gedurende hun verblijf in het water vervellen larven verscheidene keren. Omdat ze een vrij harde en onrekbare huid hebben kunnen ze enkel groeien op de momenten van vervellen. Voor de laatste vervelling, de metamorfose, kruipen de larven uit het water op een plantenstengel. Ze kruipen uit hun larvejasje en pompen daarna hun vleugels en achterlijf vol lucht. Vervolgens wagen ze zich aan de verovering van het luchtruim. Enkel hun laatste larvale huid blijft achter als herinnering aan hun 'kindertijd'. Het is deze huid die teruggevonden kan worden aan de waterkant als je goed zoekt tussen de plantenstengels.
Nadat ze volwassen zijn geworden komen de dieren geregeld naar het water om zich voort te planten. De volwassen dieren voeden zich met vliegjes en muggen. De libellen vallen zelf ten prooi aan vogels, spinnen, wespen, roofvliegen, en soms zelfs aan soortgenoten. De voortplanting of reproductie bij libellen is uniek in de dierenwereld.. De zaadleiders van de mannetjes eindigen op het tiende achterlijfsegment, terwijl het copulatieorgaan (de penis) zich ter hoogte van lichaamssegmenten twee en die bevindt. Mannetjes moeten dus in de eerste plaats hun penis 'opladen'. Hiervoor buigen ze hun achterlijf naar voren totdat de zaadleiders bij de penis komen. Een mannetje zal diit pas doen juist voor de paring en vaak in volle vlucht. Eenmaal een vrouwtje gevonden, zal een mannetje proberen haar achter de kop vast te grijpen met zijn achterlijfaanhangsels. Daarna is de keuze bij het vrouwtje om haar achterlijf naar voren te zwiepen zodat haar vagina contact maakt met de penis en spermaoverdracht kan gebeuren. Nadien worden de eitjes gelegd. Vaak bewaken mannetjes het vrouwtje waarmee ze gepaard hebben tijdens het leggen van de eitjes, zodat ze zeker zijn dat hun sperma de gelegde eitjes bevrucht, en andere mannetjes geen toegang hebben tot het vrouwtje.
Het leggen van eitjes gebeurt meestal op één van de volgende twee manieren. Sommige soorten leggen de eitjes één voor één in vooraf geboorde gaatjes in een stengel van een waterplant of in drijvende bladeren. Vrouwtjes beschikken hiervoor aan de de onderzijde van de laatste lichaamssegmenten van het achterlijf over speciale puntige aanhangsels, de legboor, waarmee zij kleine gaatjes in planten kunnen boren. Soms gaan vrouwtjes tijden de eileg onder water. Dit kan meer dan een half uur duren en de diertjes nemen hiervoor zuurstof mee tussen de vleugels om de waterdoop te overleven. Andere soorten libellen gedragen zich meer als 'bommenwerpers' en vliegen laag over het water. Af en toe raken ze het wateroppervlak aan met hun achterlijf en telkens wanneer dit gebeurt worden enkele tientallen eitjes gelost. De eitjes zullen zich langzaam ontwikkelen en hetontstaan geven aan jonge larfjes. De larven beginnen weer het leven van geduchte rover, waarmee de cirkel gesloten is.
De eerste mensen leefden als
actieve jager-verzamelaar, uiteindelijk werden ze actieve landbouwer. Meer
recent werd de mens geregeld geconfronteerd met voedselschaarste. Tekort aan
calorieën, eiwitten en vitaminen. Echter, ondervoeding werd vanaf de jaren
vijftig overvoeding. Frieten, vlees, chocola... een vrije toegang dankzij
bewaarmiddelen en supermarkten.
Velen onder ons brengen een groot
deel van hun tijd allesbehalve actief door. Op dit moment zit ik achter mijn
computer dit tekstje te typen, en waarschijnlijk bent u tijdens het lezen
hiervan ook weinig actief. Onze evolutionaire historie bereidde ons voor op een
actief leven met geregelde periodes van voedseltekort. Een verleden dat botst
met het heden? U en ik hebben een lichaam aangepast aan activiteit, echter bekijken
we onze leefgewoonten dan zij die veel zitten en weinig bewegen. Het hoeft
weinig te verwonderen dat dit zich uit in allerhande kwalen. Vier doodsoorzaken
in de top tien zijn waarschijnlijk het gevolg van die botsing tussen onze
levenswijzen in het verleden en heden: hartkwalen, suikerziekte, vetzucht en
beroerte. Tijd om even te vasten? Zo dadelijk met de fiets naar huis?!
23. Februari 2009, 10:13Libellen bestuderen in Nationale Parken te
Kenia zorgt uiteraard voor de nodige bonussen. Inderdaad, tijdens het werk in
de natuur kruisten allerhande andere dieren ons pad: allerhande antilopen,
apen, buffels, olifanten, ... Graag deel ik volgende foto met
jullie:
De zomerse temperaturen in Kenia liggen al
terug een aantal dagen achter mij. Doel van de expeditie was onderzoeken of er
in de bergen van Kenia inderdaad libellen leven waarbij vrouwtjes mannelijke
gedragingen vertonen. Dit onderzoek werd opgezet in samenwerking met
entomologen (insectenonderzoekers) aan het Nationaal Museum te Kenia. Van de
Wildlife Services (organisatie van de Nationale Parken) kregen we toestemming
om in de Parken onderzoek te voeren. Van een Duitse collega hadden we advies
gekregen over locaties waar de soort voorkomt. Dankzij al deze ondersteuning
stonden we tijdens onze eerste dag in het veld haast onmiddellijk oog in oog
met onze studiesoort. Bovenaan zien jullie een foto van een mannetje, onderaan
van een vrouwtje:
Bovenstaand mannetje geeft al een deel van onze onderzoeksmethoden aan. Deze dieren worden aangetroffen aan riviertjes, waar ze rondvliegen op zoek naar prooien en partners. Om inzichten te krijgen in de aantallen mannetjes en vrouwtjes een om het gedrag te bestuderen, vangen we in de eerste plaats m.b.v. een netje zo veel mogelijk individuen. Met watervaste inkt wordt een nummer op de vleugel geschreven, we nemen een foto van het dier (zodat ook na de expeditie - bvb. terug in België - uiterlijke kenmerken bestudeerd kunnen worden) en vervolgens wordt het dier terug vrijgelaten. Wanneer we nadien het gedrag gaan bestuderen kunnen we telkens verwijzen naar het nummer op de vleugel.
Kijkende naar deze twee foto's is er een opvallend verschil. Typisch bij libellen in gans de wereld zijn mannetjes en vrouwtjes ofwel even kleurrijk, ofwel wat meestal het geval is, zijn mannetjes opvallender gekleurd. Wat zien we hier? Het mannetje is weinig kleurrijk met zijn zwart en voornamelijk donkergroen, enkel de kleine blauwe vlekjes achteraan de ogen voegen een kleurrijke tint toe. In tegenstelling, vertoont het vrouwtje een kleurrijke pallet van groen en blauw. Echter, wanneer je uitspraken wil doen over hoe opvallend een individu is, dient ook de kleur van de leefwereld van de libel in beschouwing genomen te worden. Bvb. wanneer je een volledig zwart gekleurd mannetje met een volledig rood vrouwtje gaat vergelijken zal je geneigd zijn om te stellen dat het vrouwtje opvallender gekleurd is. Echter, indien het dier leeft in een volledig rode leefwereld, zal het mannetje veel meer contrasteren in kleur met de achtergrond van deze wereld. Gelijkaardig bestuderen we voor deze Afrikaanse libel of er verschillen zijn tussen mannetjes en vrouwtjes in hoeveel ze contrasteren met de achtergrond van vegetatie en rotsen waar de dieren vertoeven. Dergelijke vergelijking suggereert nog steeds dat mannetjes (zoals op de foto's) weinig opvallen, terwijl vrouwtjes net heel kleurrijk zijn. Wat is er aan de hand?
Eerder werd gesuggereerd dat vrouwtjes ook mannelijke gedragingen zouden vertonen. Gedetailleerde gedragsobservaties van de genummerde dieren moet uitsluitsel geven. Wat leren onze waarnemingen? Mannetjes onderling zijn agressief t.o.v. indringers en vertonen dus typisch mannelijke gedragingen. En vrouwtjes? Onze observaties leren dat er geen afwijkingen zijn in hun gedrag. Agressie bij vrouwtjes was beperkt tot gedrag dat mannetjes duidelijk maakt dat een vrouwtje niet geïnteresseerd is in reproduceren, gedrag wat we ook waarnemen bij andere libellen en diersoorten.
Dus geen vraagtekens bij het gedrag, maar wel vraagtekens bij de lichaamskleur. Waarom zijn vrouwtjes opvallend gekleurd? Een bedenking: libellen kunnen niet enkel de kleuren waarnemen die wij als onderzoeker ook waarnemen, maar hebben ook zicht in het UV. We plaatsten een filter op het fototoestel die enkel UV doorlaat en maakten opnieuw foto's van mannetjes en vrouwtjes. Mmmmh, interessant! In UV zijn mannetjes opvallender gekleurd dan vrouwtjes en dit ook in vergelijking tot de UV achtergrond van hun leefwereld. Dus het opvallend gekleurd zijn van vrouwtjes is beperkt tot het ook voor de mens zichtbare licht, echter niet in het UV.
Uiteraard dienen de uitspraken die ik hier maak gestaafd door analyses. We maakten een hele hoop foto's van de dieren. De komende weken gaan we dus in de eerste plaats op basis van deze foto's in kaart brengen hoe opvallend mannetjes en vrouwtjes gekleurd zijn t.o.v. elkaar en hun leefwereld, dit in voor ons zichtbaar licht, maar ook in UV. Ondertussen wordt het nadenken over het waarom van de kleuren van mannetjes en vrouwtjes in deze libel.
Nog even... Morgenavond stap ik het vliegtuig op met eindbestemming Nairobi (Kenia), de start van een nieuw onderzoek en avontuur. Doel is om een soort waterjuffer te bestuderen die enkel in Centraal-Afrika voorkomt en waar mogelijk sprake is van omkering van de typische geslachtsrollen, dus waar mannetjes vrouwelijke gedragingen vertonen en vice versa.
Breder gekaderd zijn het bij het merendeel der dieren de mannetjes
die strijden voor toegang tot vrouwelijke partners. Mannetjes gaan bijvoorbeeld
actief op zoek naar partners en trachten om zo snel mogelijk een vrouwtje te vinden, in ieder
geval sneller dan andere mannetjes. Of mannetjes verdedigen een territorium
tegen andere mannetjes en wachten de komst van een vrouwtje af, die worden
aangetrokken tot het verdedigde territorium omdat er bijvoorbeeld goede
plaatsen zijn om eieren te leggen. Bij dieren waar ouderzorg voorkomt is het
dikwijls het vrouwtje dat de meeste tijd en energie investeert in de
nakomelingen. Terwijl het vrouwtje voor de nakomelingen zorgt, heeft het mannetje alle tijd om zijn horizonten te verruimen en andere vrouwtjes te versieren. Echter, deze taakverdeling tussen mannen en vrouwen gaat niet steeds
op.
Bij franjepoten (een soort vogel) zijn het de
mannetjes die de eieren uitbroeden en voor de jongen zorgen, terwijl de vrouwen
op zoek gaan naar partners. Ook bij de vroedmeesterpad treffen we brave
huisvaders aan die de eieren op hun rug mee ronddragen er zorg voor dragende
dat de eieren niet uitdrogen door ze van tijd tot tijd in poelen onder te
dompelen. Bij waterjuffers komt ouderzorg niet voor, en we stellen dan ook vast dat bij deze dieren ofwel mannetjes territoriaal gedrag vertonen of wel geen van beide geslachten. Echter, voor de soort die mij naar Kenia leidt , gaan de geruchten dat vrouwtjes territoriaal gedrag vertonen! Mogelijk een voorbeeld van omkering van de geslachtsrollen? Dit terwijl er geen ouderzorg voorkomt? Binnen twee weken en half ben ik terug en hoop ik jullie meer over het paarsysteem en het gedrag van deze afrikaanse waterjuffer te kunnen vertellen.
Ondertussen stel ik voor dat jullie in Europa en ik in Afrika op 12 februari het Internationaal Darwinjaar met veel feestgedruis inzetten! Inderdaad, dit jaar is het precies 200 jaar geleden dat Charles Darwin werd geboren, en 150 jaar geleden verscheen zijn bekendste werk: On the origin of species.
Heb je ooit al
vragen gesteld bij de evolutie van het leven? Klikken op de foto, en zet je
schrap voor een reis doorheen de tijd van eencellige tot Homer
Simpson...!
In het nieuws: onderzoekers hebben in de zee ten zuiden van Australië verschillende onbekende zeediersoorten ontdekt. Het team trof onder andere onbekende zeespinnen, enorme zeesponzen en grote groepen zeeanemonen. Het ontdekken van nieuwe soorten voor de wetenschap, ... toch een beetje de droom van elke bioloog. Uiteraard vereist dit in de eerste plaats een goede kennis van welke soorten eerder wetenschappelijk beschreven werden en waar deze soorten voorkomen. Enkel dan zal je wanneer je oog in oog komt te staan met het onbekende dit ook beseffen. Enkele jaren geleden mocht ik het zelf ervaren tijdens een expeditie te Fiji (een eilandengroep in de Stille Oceaan ongeveer 2000km ten oosten van Australië) op het eiland Vanua Levu. Samen met Chris (een Amerikaanse collega) deed ik een studie naar de variatie in voortplantingssystemen van waterjuffers op deze eilanden. We hadden beschrijvingen bij van de verschillende soorten waterjuffers die eerder werden waargenomen. Plots werd onze aandacht getrokken door een waterjuffer die in niets geleek op deze beschrijvingen. Onze harten klopten sneller. Inderdaad, een nieuwe soort (zie foto)! We verzamelden heel wat verschillende waterjuffers op verschillende eilanden tijdens de ganse trip. Ondertussen hebben we de tijd gehad om al deze individuen in detail te vergelijken. De verschillen in bouw en de genetische variatie tussen al deze individuen hebben ons geleerd dat we gedurende de 4 maanden te Fiji meerdere nieuwe soorten hebben ontdekt.
Hoeveel soorten organismen er op aarde voorkomen blijft een vraagteken? Neem bijvoorbeeld het aantal soorten insecten. Enkel voor Groot-Brittanië werden reeds 25.000 soorten
insecten beschreven. Geschat wordt dat het werkelijk aantal soorten in dit land nog ongeveer 5% hoger is. Dus een geschat aantal van 1250 soorten insecten wacht nog om ontdekt te worden. Ter vergelijking, tijdens de inventarisatie
van één enkele boom in Peru werden 43 soorten mieren waargenomen, een aantal
gelijk aan de totale mierendiversiteit van Groot-Brittanië. Inderdaad, zeker in de tropen blijft er werk aan de winkel om al die fantastische variatie in leven te documenteren. Spijtig genoeg verdwijnen er momenteel tal van soorten zonder ons medeweten. Het uitsterven van soorten is een natuurlijk onderdeel van de geschiedenis van de aarde, maar door menselijke activiteiten verloopt het uitsterven echter veel sneller in vergelijking met het natuurlijke tempo.